Tante Jo: Ik ga niet zitten
Waar gaat Tante Jo: Ik ga niet zitten over?
De organisatie van feesten en grote maaltijden. De hoofdstuktekst verderop is ontleend aan de oorspronkelijke uitgave.
Bron: de oorspronkelijke boekpagina uit Een kennismaking met de Molukse keuken (SBO Assen, 1990).
Tante Jo Kakiay gaf kookcursussen en hielp grote feestmaaltijden organiseren. Zij is de moeder van Joke Ernst-Kakiay. Meer over tante Jo.
Ze roepen me
Tante Jo organiseert niet ieder feest in de wijk, maar wordt vaak gevraagd voor bruiloften van mensen uit Ceram. Er bestaat een organisatie voor het hele eiland. Als iemand uit een van de negorijen trouwt, helpt zij de maaltijd verzorgen. Verzoeken komen van haar mans familie, maar ook van haar moeders en vaders kant. Soms wordt ze gevraagd door dorpsgenoten in Hoogkerk.
Tijdens de verloving sparen jonge mensen voor hun bruiloft. Ook de gasten brengen geld mee. Soms dekt dat de kosten en soms blijft er iets over. Tante Jo vertelt over een feest waarvoor zij vijfduizend gulden kreeg; zelfs na alle inkopen hield ze nog geld over. Ze koopt ook de sterke drank in, omdat het wijkgebouw alleen frisdrank, bier, thee en koffie verkoopt.
Inkopen
Tante Jo bestelt en koopt alles voor twee maaltijden: de bruidstafel na de kerkdienst en de maaltijd voor de avondgasten. Aan de bruidstafel zitten ongeveer honderdvijftig tot tweehonderd mensen. Een bruidstafel thuis is meestal een kleiner familiefeest. ’s Avonds komen vaak een paar honderd gasten.
Op dinsdag worden de boodschappen gedaan. Eerst gaat de kookploeg naar de markt in Groningen, waar vis en bepaalde groenten goedkoper zijn. Daarna worden in Assen kruiden en andere benodigdheden gekocht die op de markt niet verkrijgbaar zijn. Tante Jo kiest het liefst verse kruiden; als die ontbreken, gebruikt ze gedroogde. Ze vindt de smaak van kant-en-klare kruiden uit potjes minder goed, vooral als ze lang hebben gestaan.
Vlees en drank worden bij het wijkgebouw bezorgd. De kip haalt de ploeg zelf bij een fabriek in Haulerwijk, in dozen van zes kilo.
De kookploeg
De voorbereiding duurt drie dagen: woensdag, donderdag en vrijdag. Woensdag begint de ploeg om één uur ’s middags, de andere dagen om negen uur ’s ochtends. Tante Jo is er zelf al om acht uur. Vaak wordt tot tien uur ’s avonds doorgewerkt.
Vrouwen uit dezelfde negorij of van hetzelfde eiland helpen mee. Overdag komen vooral oudere vrouwen die niet werken. Jongere getrouwde vrouwen sluiten na hun werk en avondeten aan. Tante Jo loopt rond, geeft aanwijzingen en houdt alles in de gaten: zitten doet ze niet.
Ook voor de kookploeg wordt gekookt. De helpers krijgen eten en tussendoor pisang goreng bij de koffie of thee. Soms koopt de ploeg een doos van twintig kilo bakbananen. Die worden ’s ochtends gebakken en om tien uur en drie uur per groep op tafel gezet.
Het koken wordt vooral door de vrouwen gedaan. Sommige mannen helpen met snijden; het roosteren van de saté is volgens Tante Jo mannenwerk. In het wijkgebouw is een grote keuken met drie gasstellen. De ploeg neemt ook een eigen butagasstel mee. Voordat het wijkgebouw bestond, werd voor feesten bij Tante Jo thuis gekookt.
Toelichting bij het oorspronkelijke verhaal
Het woord ‘roepen’ is hier een leenvertaling van panggil: een beroep doen op vertrouwde mensen. Voor een formeler verzoek wordt minta gebruikt, dat ‘verzoeken’ betekent.
De bron licht toe dat een vrouw toetreedt tot de familieclan van haar man. Zijn familie en verwanten, waaronder dorpsgenoten en pela-genoten, kunnen als eersten een beroep op haar doen. Daarna volgen verplichtingen tegenover de familie in bredere zin en haar eigen verwanten.
De bruiloften waarover Tante Jo vertelt, vinden doorgaans op vrijdag plaats. De genoemde bedragen, gewoonten en taakverdeling horen bij het oorspronkelijke verhaal uit 1990.
Bron: Een kennismaking met de Molukse keuken (SBO Assen, 1990). Bekijk de oorspronkelijke bron.
Koken thuis en in het wijkgebouw
Wanneer er vroeger thuis voor feesten werd gekookt, werkte de ploeg in de ontvangkamer. Na afloop moest die ruimte weer worden gestofzuigd.
Voor belijdenis- en doopfeesten worden de maaltijden ook thuis klaargemaakt, meestal vooraf. Veel mensen koken alles zelf. Wie werkt en weinig tijd heeft, bestelt soms lemper, wadji of namu-namu bij anderen.
Voorbereidingen
Op woensdag wordt de vis gebakken en worden uien, knoflook en groenten schoongemaakt. Ook de soep wordt bereid, in een grote wasketel die uitsluitend voor de soep wordt gebruikt.
De basis is kippenbouillon. De kip wordt gekookt, uit de bouillon gehaald en in heel fijne stukjes gesneden. Daar helpen veel vrouwen aan mee. De bouillon wordt dezelfde dag op smaak gebracht.
Wat klaar is, gaat in plastic zakken de koelkast in. Donderdag worden alle vleesgerechten bereid; vrijdag volgen de groenten. Bananen en frikadel worden op vrijdagochtend gebakken, zodat ze nog vers zijn. De kip is dan al gekruid en de frikadel ligt klaar in de koelkast, op presenteerbladen met ongeveer honderd tot tweehonderd stuks.
Het feestmenu
Het menu is meestal hetzelfde. Soms wordt soto geserveerd in plaats van kippensoep. Daarvoor zijn meer helpers nodig: de een schept taugé op, een ander laksa, de volgende frikadel en weer iemand de bouillon. Vier of vijf vrouwen staan bij de soto. Bij de rijst werkt een vergelijkbare groep: een persoon schept rijst, een ander vlees en een derde groenten. De maaltijd gaat vervolgens door naar de jongens die bedienen.
In plaats van nasi rames wordt soms rijst met saté gekozen. Dat hangt af van de wensen van het bruidspaar. Dan krijgen de gasten twee stokjes saté met rijst, kerupuk en sambal goreng buntjis. Soms komt daar atjar menta bij: zoetzuur van komkommer, radijs en paprika. Hiervoor wordt water met zout, suiker en azijn gekookt. Pas nadat het mengsel is afgekoeld, trekken de groenten er een paar uur in.
Wie het eenvoudiger wil houden, kiest saté met rijst, kerupuk en augurken. Het nagerecht is meestal fruitcocktail van vruchten uit blik.
Bij de foto
De foto op deze bronpagina toont een gedekte bruiloftstafel.
Bron: Een kennismaking met de Molukse keuken (SBO Assen, 1990). Bekijk de oorspronkelijke bron.
Versierde tafels
Er wordt gekookt voor de gasten én voor de mensen die meehelpen: de vrouwen in de keuken en de jongens en meisjes die bedienen. De jongens halen eten en drank; de meisjes brengen die naar de gasten. Voor elke rij tafels zijn er twee jongens en twee meisjes. Meestal zijn zij ongeveer achttien jaar. Soms helpen ook jonge getrouwde vrouwen en mannen. Zij begeleiden gasten vanaf de deur naar het bruidspaar. Daarnaast is er een comité dat de bruiloft organiseert.
De tafels worden de avond van tevoren gedekt. Tante Jo bestelt tafellakens van damastpapier en de servetten. Voor de bruidstafel na de kerkdienst worden mooie gekleurde servetten met bloemen gebruikt. De avondgasten krijgen witte of geblokte servetten. Ook de bloemen worden besteld. Op donderdagavond vullen jonge meisjes en jonge getrouwde vrouwen de vaasjes, omdat daar op vrijdag geen tijd meer voor is.
Hele gebakken kippen, cake, dranken en hele gebakken vissen versieren de tafels. Gasten mogen daarvan eten, maar ze zijn in eerste instantie als versiering bedoeld. De avond na het feest komen alle helpers bij elkaar. Hun namen worden bijgehouden. Voor hen wordt opnieuw gekookt, meestal voor vijftig tot zestig mensen.
De hele kippen worden in stukken gesneden en verwerkt tot semur of ritja-ritja. Overgebleven rijst wordt opgewarmd; als er niet genoeg is, wordt nieuwe rijst gekookt. Er worden ook groenten bereid. Volgens de voetnoot helpt het bruidspaar bij deze maaltijd mee met bedienen.
Van de gebakken vissen wordt tjolo-tjolo gemaakt. De graten worden verwijderd en de vis wordt in stukken gesneden. Er komt een sausje bij van ketjap, fijngesneden rauwe ui, lombok, citroen en tomaat. Als het sausje te dik is, wordt een beetje heet water toegevoegd. De vis wordt met de saus en rijst gegeten.
Tante Jo vergelijkt dit met een Japans gerecht van rauwe vis, lombok en ketjap, gegeten met tot ballen geknede rijst, zonder ui.
Een nieuwe manier
Tijdens een vakantie in Indonesië zag Tante Jo een andere manier van feestvieren. Op een grote, platte, gevlochten mand werd een jong groen bananenblad gelegd. In het midden stond rijst in een hoge punt, met de verschillende gerechten ernaast.
De gasten haalden hun maaltijd zelf. Rij voor rij liepen zij langs de tafel met borden, lepels, vorken en gerechten. Na het opscheppen gingen ze terug naar hun plaats. Tante Jo vond dat veel gemakkelijker dan iedereen bedienen.
Ook viel haar op dat gasten op tijd kwamen. Als het feest om acht uur begon, waren ze om acht uur of eerder aanwezig, omdat het eten op een vast tijdstip werd geserveerd. Volgens haar kwamen gasten in Nederland vaak later binnen. Zelf eten halen leek haar een goede werkwijze om ook hier over te nemen.
Bron: Een kennismaking met de Molukse keuken (SBO Assen, 1990). Bekijk de oorspronkelijke bron.